|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
 |
|
|
|
|
|
|
Warm mix asfalt
WMA is volgens de richtlijn asfalt dat bij het verlaten van de
mengbak van een asfaltcentrale een temperatuur heeft van minimaal 100 °C en maximaal 140 °C.
HMA wordt bij een temperatuur boven 140 °C geproduceerd.
Er zijn (mogelijke) risico's verbonden aan het toepassen van WMA, maar veel risico's gelden ook voor HMA.
De risico's kunnen bij WMA door de
lagere productie- en verwerkingstemperatuur meer aandacht vragen.
De richtlijn is beperkt tot RAW-mengsels uit deelhoofdstuk 81.2 van de Standaard RAW Bepalingen 2020, uitgezonderd gietasfalt.
Volgens het CROW zijn de WMA-mengsels met voldoende vertrouwen gelijkwaardigheid aan HMA-mengsels, mits volgens de
richtlijn Richtlijn Warm Mix Asfalt v1.01 wordt geproduceerd en verwerkt.
Aandachtspunt WMA
De
overgang van HMA naar WMA verandert vooral de randvoorwaarden voor
productie en uitvoering. De belangrijkste aandachtspunten zijn vocht,
temperatuur, verwerkbaarheid en verdichting.
Deze risico’s zijn
technisch beheersbaar wanneer:
- een goedgekeurde WMA-oplossing wordt
gebruikt
- het mengsel een eigen typeonderzoek heeft
- productie en
verwerking volgens vastgelegde voorschriften plaatsvinden en
- de
opdrachtgever in ontwerp, planning en uitvoering voldoende rekening
houdt met de lagere productie- en verwerkingstemperatuur.
Daartegenover
staan voordelen die de richtlijn expliciet benoemt, waaronder lager
energiegebruik, lagere CO₂-uitstoot, minder asfaltdampen en minder
korte-termijnveroudering van bitumen.
Belangrijkste WMA-technieken
• Direct verschuimen met een standaard schuimbalk
• Direct verschuimen volgens het LEAB-procedé
• Oppervlaktespanningverlagende additieven, in de richtlijn uitgewerkt voor Evotherm DAT-7 en WM-30
• Viscositeitverlagend additief, in de richtlijn uitgewerkt voor LynPave
•
Combinaties van technieken, voor zover de afzonderlijke technieken voor
het betreffende mengsel binnen de richtlijn zijn goedgekeurd
Temperaturen van WMA-technieken
WMA-technieken
|
Start verdichting |
Einde verdichting |
• Conventioneel
asfalt (HMA)
• Direct
verschuimen (WMA)
• LEAB
(WMA)
• LynPave
(WMA)
• DAT-7
(WMA)
• WM-30
(WMA) |
150 °C
130 °C
110 °C
130
°C
130
°C
130
°C
|
70 °C
70 °C
70 °C
40 °C
50 °C
50 °C
|
|
De genoemende temperaturen zijn volgens de richtlijn indicatief. Het daadwerkelijke
venster kan verschillen per mengsel en moet in het
verwerkingsvoorschrift worden vastgelegd.
Samenvattende aandachtspunten voor de opdrachtgever
• Controleer vóór uitvraag of
acceptatie of de combinatie van mengsel, bitumen/PmB, PR-percentage en
WMA-oplossingsrichting binnen de goedgekeurde scope van bijlage 1 valt
of
• afzonderlijk geldig is gevalideerd.
• Vraag het WMA-specifieke typeonderzoek en het aangevulde verkort verslag op.
• Laat productie- en verwerkingsvoorschriften
vooraf beschikbaar zijn en controleer de daarin opgenomen
temperatuurvensters en relevante WMA-specifieke controles.
• Creëer in ontwerp en planning voorwaarden
voor zoveel mogelijk machinale verwerking en beperk handwerk.
• Borg voldoende droogte van het hechtvlak,
geschikte weersomstandigheden en logistieke continuïteit.
• Focus toezicht tijdens uitvoering vooral op
homogeniteit van temperatuur, continuïteit van spreiden,
walsregime en aantoonbare verdichting.
• Behandel de risicolijst als een checklist:
beoordeel welke risico’s daadwerkelijk relevant zijn voor de
aangeboden WMA-techniek en het project en toets vervolgens of
• de producent/verwerker deze aantoonbaar heeft beheerst.
• Ga niet uit van de algemene stelling dat WMA
kwalitatief minder is dan HMA. Voor goedgekeurde combinaties is
gelijkwaardigheid juist het uitgangspunt van de CROW-richtlijn.
Extra Besteksposten voor WMA
Schrijf de volgende zaken tenminste voor in het bestek:
- De CROW publicatie Warm Mix Asfalt, zoals deze luidt 3 maanden voor
de uiterste datum voor het indienen van de inschrijving, is van
toepassing.
- De technische eigenschappen van Warm Mix Asfalt-mengsels dienen ten
minste gelijkwaardig te zijn aan de in de Standaard genoemde eisen voor
het overeenkomstige (heet) RAW asfaltmengsels.
- De kwaliteit van de gerealiseerde Warm Mix Asfaltmengsels worden
op dezelfde manier getoets als de reguliere RAW-asfaltmensgels
- De aannemer dient 2 weken voor het aanbrengen van het
Warm Mix Asfalt aan de directie het volgende te verstrekken:
- de asfaltinstallatie waarin het Warm Mix Asfalt mengsel is geproduceerd
- planning van de te verwerken Warm Mix Asfalt
- de verwachte productie dag(en)
- transport verwerkingstijden naar en op het project
- het walsregiem van de Warm Mix Asfalt
- Het Verkort verslag voor warm mix asfalt moet tevens zijn vermeld:
- het productieproces (alfabetische bijlagen van de CROW Richtlijn Warm Mix Asfalt)
- de gebruikte additieven die bij het typeonderzoek zijn toegepast
- Als er wijzigingen zijn in de aangeboden asfalt mengsels ten gevolge
van beschikbaarheid, weerstemperatuur invloeden t.g.v. de Warm Mix
Asfalt mengsels moeten deze uiterlijk 5 dagen voor
- daadwerkelijke
uitvoering moeten zijn doorgegeven aan de directie. Deze wijzigingen
moeten worden goedgekeurd door de directie.
- Voor het inplannen en uitvoeren van warm mix asfalt rekening houden met
invloed van ongunstig weer (eventueel op aanwijs van de directie uitstellen bij ongunstig weer).
Mogelijke risico’s en beheersmaatregelen voor ontwerp, productie, transport, verwerking, gebruik en hergebruik van WMA
Beschrijf zonodig extra besteksomschrijvingen aan de hand van onderstaande risico's en beheersing van de risico's.
|
| 1. Ontwerp en planning |
• Inschatting risico’s |
• Beheersing van risico’s |
 |
• Handmatige verwerking is bij WMA vaak kritischer doordat WMA
iets stugger
• kan zijn. Veel handwerk kan daardoor het risico op
onvoldoende verwerking en
• verdichting vergroten.

• Dunne en
kritische deklagen hebben minder thermische reserve. WMA heeft een
• lagere warmte-inhoud dan HMA, waardoor uitvoeringsomstandigheden
• belangrijker worden.

• Een nat of onvoldoende droog hechtvlak is
extra ongewenst, omdat WMA minder
• warmte beschikbaar heeft om aanwezig
vocht te verdampen.

• Bij ongunstige weersomstandigheden, lage
lucht- of ondergrondtemperatuur,
• wind en neerslag kan het beschikbare
verwerkings- en verdichtingsvenster
• onvoldoende worden.

• Bij
constructief ontwerp met OIA kunnen andere laagdikten volgen wanneer
• andere mengseleigenschappen of een andere praktijk-shiftfactor gelden.
Dit is
• niet hetzelfde als de conclusie dat WMA structureel zwakker is
dan HMA.

• Voor asfalt met additieven hanteert de RWS-SOA een
praktijk-shiftfactor van 1.
• Daardoor kan in een OIA-ontwerp circa 2-4
cm extra asfalt nodig zijn ten opzichte
• van vergelijkbaar asfalt zonder
additieven.
|
• Ontwerp het werk zoveel mogelijk voor machinale aanleg en beperk
handwerk
• en obstakels. Voorbeelden uit de richtlijn zijn het na het
asfalteren inboren van
• putdeksels en het later construeren van
verkeersdruppels.

• Gebruik waar passend klein aanvullend
materieel, zoals een smalle asfalt-
• spreider, mini-shovel, mini-graver of
kleine wals, zodat handwerk wordt beperkt.

• Plan kritische
asfaltwerkzaamheden onder gunstige omstandigheden. De richtlijn
• noemt
het late voorjaar en de zomer en waarschuwt voor kritische deklagen in
• koude seizoenen.

• Breng bestekken en opdrachten tijdig op de
markt, zodat werkzaamheden niet
• onnodig in ongunstige
uitvoeringsperioden terechtkomen.

• Stel werkzaamheden uit wanneer weersomstandigheden onvoldoende zijn om de
• vereiste kwaliteit en verdichting te realiseren.

•
Baseer de constructieve laagdikte op de werkelijk geldende contract-
• systematiek, mengseleigenschappen en OIA-parameters; een algemene opslag
• in laagdikte uitsluitend omdat het WMA betreft is niet
juist. |
|
2. Mengselontwerp en
2. typeonderzoek |
• Inschatting risico’s |
• Beheersing van risico’s |
 |
• Een bestaand HMA-typeonderzoek is niet geldig voor de
overeenkomstige WMA-
• versie wanneer meng- en verdichtingstemperaturen of
de receptuur verschillen.

• Additieven kunnen vragen oproepen
over geschiktheid, compatibiliteit met
• bitumen, PmB en andere
hulpstoffen, langetermijngedrag en recyclebaarheid.

• Bij lagere
productietemperatuur moet voldoende omhulling van de minerale
• bestanddelen en eventueel asfaltgranulaat worden bereikt.

• Voor
mengsels met PmB is toepassing van WMA niet generiek uitgesloten, maar
• goedkeuring is afhankelijk van mengseltype en oplossingsrichting.
Vooral PmB-
• deklagen zijn in deze versie niet algemeen vrijgegeven.

• Bij hogere PR-gehalten kan het mengsel stugger zijn en kan de verdichting
• kritischer worden. |
• Voer voor ieder WMA-mengsel een eigen typeonderzoek uit volgens
RAW
• Proef 62 bij de beoogde WMA-meng- en verdichtingstemperaturen.

•
Onderzoek of onderbouw de geschiktheid van gebruikte additieven en hun
• invloed op HSE, civieltechnische eigenschappen, compatibiliteit en
hergebruik.

• Vermeld in de aanvulling op het verkort verslag ten
minste de maximale
• productietemperatuur, minimale leveringstemperatuur,
minimale temperaturen
• voor begin en einde verwerking, de gebruikte
WMA-techniek en de aard/- •
• eigenschappen van alle hulpstoffen.

•
Gebruik bij PmB en kritische deklagen uitsluitend combinaties die
volgens
• bijlage 1 zijn geaccepteerd of die via een toepasselijke
AKL/RWS-ITC-validatie
• zijn onderbouwd.

• Waar bijlage 1 voor PR
een maximum als XX% aangeeft, geeft de producent het
• haalbare maximale
PR-percentage op als Declared Value. |
|
| 3. Productie en mengen |
• Inschatting risico’s |
• Beheersing van risico’s |
 |
• Variaties in vochtgehalte van grondstoffen kunnen bij lagere productie-
• temperaturen leiden tot afwijkingen in eindtemperatuur en restvocht.

• Bij omschakeling tussen mengsels met verschillende productietemperaturen
• kunnen temperatuurvariaties ontstaan.

• Bij schuimbitumen zijn de juiste schuimkwaliteit, waterdosering, expansie en
• standtijd relevant voor een goede omhulling.

• Onvoldoende omhulling van nieuw aggregaat of asfaltgranulaat kan de kwaliteit
• en watergevoeligheid nadelig beïnvloeden.

• Bij asfaltgranulaat bestaat aandacht voor voldoende activering/verjonging en
• vermenging van oud en nieuw bindmiddel.

• Bij gebruik van additieven moet de juiste stof en dosering worden geborgd en
• moeten HSE-aspecten worden beoordeeld.

• Lagere temperatuur van de witte trommel verandert het afgasdebiet en de
• verhouding tussen afgassen van witte en paralleltrommel. Daardoor kunnen
• emissieconcentraties anders uitvallen, ook wanneer de totale emissie afneemt.
|
• Controleer het vochtgehalte van bouwstoffen en, waar relevant, van het
• geproduceerde mengsel.

• Pas de droog- en verblijftijd van vochtige bouwstoffen waar nodig aan om
• voldoende droging te bereiken.

• Stel per WMA-mengsel een productievoorschrift of molenprotocol op, inclusief
• WMA-specifieke controles en terugkoppellussen.

• Produceer conform het vastgestelde productievoorschrift en borg de dosering
• van water/additieven in de molenregistratie en FPC.

• Voer bedrijfscontrole uit volgens FPC, waar nodig aangevuld met WMA-specifieke
• controles zoals restvocht. Voor standaard direct schuimbitumen noemt de
• techniekbijlage maximaal 0,5% restvocht na productie.

• Borg via typeonderzoek en productiecontrole dat de beoogde omhulling,
• homogeniteit en mengselkwaliteit worden gerealiseerd.

• Beoordeel additieven aan de hand van toepasselijke product- en veiligheids-
• informatie; de centrale moet aan de geldende emissiegrenswaarden blijven
• voldoen.

• Bij opstart of omschakeling HMA/WMA mogen volgens de richtlijn de eerste en/
• of laatste 60 ton WMA, indien nodig, maximaal 20 °C warmer worden
• geproduceerd en verwerkt dan gedeclareerd, zonder wijziging van de
• overeengekomen mengselsamenstelling. |
|
| 4. Opslag |
• Inschatting risico’s |
• Beheersing van risico’s |
 |
• Te lange opslag kan bij sommige WMA-technieken leiden tot te sterke afkoeling,
• ontmenging of verlies van verwerkbaarheid.
• Bij schuimbitumen kan het schuimeffect in de tijd afnemen. De maximale opslagtijd
• is daarom techniek-, mengsel- en installatieafhankelijk.
• Een generieke conclusie dat alle WMA een kortere opslagtijd heeft dan HMA is niet
• juist. |
• Leg de toegestane opslagtijd vast per mengsel, techniek en asfaltinstallatie.
• Voor standaard direct schuimbitumen noemt de richtlijn dat de maximale opslagtijd
• beperkt kan zijn tot ongeveer vier uur, afhankelijk van mengseltype en eindsilo.
• Stem productie, silo-opslag, transport en verwerking zodanig af dat het mengsel
• binnen het geldende temperatuur- en verwerkingsvenster blijft.
|
|
| 5. Transport en logistiek |
• Inschatting risico’s |
• Beheersing van risico’s |
 |
• Lokale afkoeling tijdens transport kan koude brokken veroorzaken, vergelijkbaar
• met HMA.
• Onvoldoende isolatie en lange stilstand kunnen tot een te lage of niet-homogene
• aankomsttemperatuur leiden.
• Een slechte aansluiting tussen productie, vrachttransport en spreidsnelheid kan
• stilstand van de asfaltspreidmachine veroorzaken.
• Ontmenging tijdens transport of lossen blijft een te beheersen risico. |
• Gebruik goed geïsoleerde transportmiddelen en voorkom onnodige wachttijd.
• Controleer de homogeniteit en temperatuur van het mengsel bij aankomst op
• het werk.
• Bij langere transporttijden kan enkele graden hogere productietemperatuur nodig
• zijn, afhankelijk van de isolatie, maar binnen het maximale WMA-productie-
• temperatuurvenster van 140 °C.
• Stem transportlogistiek en verwerkingssnelheid op elkaar af, bij voorkeur met
• digitale ondersteuning, zodat de spreidmachine zo constant mogelijk kan
• doorwerken.
• Overweeg materieel en lossystemen die ontmenging en lokale afkoeling beperken
• wanneer project en techniek dat vragen.t.
|
|
5. Verwerking en
5. verdichting |
• Inschatting risico’s |
• Beheersing van risico’s |
 |
• Het belangrijkste uitvoeringsrisico is onvoldoende verdichting wanneer mengsel,
• weersomstandigheden, laagdikte, PR-gehalte of uitvoeringswijze daarvoor
• kritisch zijn.
• WMA heeft een lagere warmte-inhoud dan HMA. Daardoor is het vermogen om
• vocht op het onderliggende oppervlak te verdampen kleiner.
• Handwerk kan zwaarder en lastiger zijn doordat bepaalde WMA-mengsels bij
• lagere temperatuur stugger aanvoelen.
• Dunne lagen, randen, naden, aanzetten, stopplekken en geluidreducerende
• deklagen zijn kritische situaties doordat minder tijd of ruimte voor correctie
• beschikbaar kan zijn.
• Bij hogere PR-gehalten kan het mengsel stugger worden, waardoor voldoende
• verdichting extra aandacht vraagt.
• Het afkoelgedrag van WMA is volgens de richtlijn in essentie gelijk aan HMA;
• WMA begint echter bij een lagere temperatuur en de ondergrens van het
• verdichtingsvenster kan eveneens lager liggen. |
• Zorg dat het hechtvlak goed droog is voordat WMA wordt aangebracht.
• Controleer de homogeniteit van de mengseltemperatuur bij aankomst, in de
• hopper, achter de afwerkbalk en waar relevant tijdens/na het walsen.
• Houd de snelheid van de spreidmachine zo constant mogelijk en voorkom
• stopplekken.
• Plaats de walsen dicht achter de afwerkbalk en pas een homogeen
• verdichtingspatroon toe.
• Pas de walsinzet zo nodig aan, bijvoorbeeld met voldoende walsfactor, een
• zwaardere wals of bandenwals, afhankelijk van techniek, mengsel en
• omstandigheden.
• Verdicht naden en aanzetten met prioriteit en voorkom koude naden.
• Beperk handwerk door ontwerpaanpassingen en inzet van passend klein materieel.
• Gebruik waar beschikbaar walsprotocollen en digitale ondersteuning, zoals
• ASPARi-technieken, voor aantoonbare procesbeheersing.
• Leg het verwerkings- en verdichtingsvenster per WMA-mengsel vast in een
• verwerkingsvoorschrift.
|
|
6. Eindproduct, gebruik
6. en levensduur |
• Inschatting risico’s |
• Beheersing van risico’s |
 |
• Onvoldoende verdichting of te hoge holle ruimte kan de uiteindelijke kwaliteit
• nadelig beïnvloeden. Dit is niet uniek voor WMA, maar vraagt bij kritische
• WMA-uitvoering extra procesbeheersing.
• In de risicoinventarisatie zijn onder meer vervorming, rafeling, veroudering,
• verbrossing, stripping, vermoeiing en vorst/dooi beschouwd. Deze mogen niet als
• automatisch optredende WMA-schades worden geïnterpreteerd.
• Langetermijngedrag is bij oplevering niet volledig rechtstreeks vast te stellen,
• omdat verschillende schademechanismen in de praktijk kunnen interacteren.
• Afstrooien voor aanvangsstroefheid kent bij WMA een kritisch temperatuurvenster
• doordat het wegoppervlak bij aanvang al kouder is. |
• Pas dezelfde reguliere opleveringscontroles toe waar de richtlijn dit voorschrijft,
• waaronder laagdikte, samenstelling, verdichtingsgraad en holle ruimte.
• Borg dat het gerealiseerde eindproduct overeenkomt met het WMA-type-
• onderzoek en de gestelde RAW-eisen.
• Voer afstrooien, indien nodig, tijdig en binnen het juiste temperatuurvenster uit,
• bij voorkeur vroeg in het walsproces.
• Gebruik aanvullende of functionele beproeving waar de techniek/mengselvalidatie
• dit vereist, met name bij kritische deklagen.
• Houd rekening met het positieve effect dat lagere productietemperatuur de
• korte-termijnveroudering van bitumen vermindert; dit is echter geen generieke
• garantie op een langere levensduur.
|
|
7. Hergebruik en
7. circulariteit |
• Inschatting risico’s |
• Beheersing van risico’s |
 |
• Bij gebruik van additieven moet worden beoordeeld of deze compatibel zijn met
• verse bitumen, polymeren, verjongers, waxen, oliën, harsen en andere hulpstoffen.
• De richtlijn beschouwt ook herhaalde recycling en de invloed van WMA-technieken
• op toekomstig warm hergebruik.
• Bij mengsels met veel asfaltgranulaat is voldoende activering en vermenging van
• het oude bindmiddel een technisch aandachtspunt.
• Niet alle hogere PR-percentages vallen binnen de RAW-scope van de richtlijn.
• AC surf is binnen de RAW-scope begrensd op maximaal 30% PR; SMA-NL en
• ZOAB-mengsels met PR vallen buiten de reguliere RAW-scope waarop deze richtlijn
• is gebaseerd. |
• Gebruik alleen additieven en technieken waarvan geschiktheid en recyclebaarheid
• voldoende zijn onderbouwd volgens de richtlijn of toepasselijke validatieprocedure.
• Pas voor alternatieve producten binnen een geaccepteerde WMA-techniek de in
• bijlage 2 beschreven gelijkwaardigheidsprocedure toe.
• Borg bij mengsels met PR via typeonderzoek en procesbeheersing dat voldoende
• functionele mengseleigenschappen worden bereikt.
• De richtlijn vermeldt dat de beschouwde WMA-additieven geschikt zijn voor
• toekomstig warm hergebruik.
|
|
8. Veiligheid, gezond-
8. heid, milieu en emissies |
• Inschatting risico’s |
• Beheersing van risico’s |
 |
• Additieven kunnen eigen HSE/VGM-aspecten hebben. Deze moeten
• productspecifiek worden beoordeeld en mogen niet zonder onderbouwing als
• schadelijk of onschadelijk worden verondersteld.
• Een lagere temperatuur verandert het afgasvolume en de verhouding tussen witte
• en paralleltrommel. Daardoor kan de concentratie van bepaalde stoffen in het
• gezamenlijke afgas veranderen.
• Een emissievergunning kan eisen stellen aan concentraties; de asfaltcentrale moet
• aan de toepasselijke grenswaarden blijven voldoen. |
• Gebruik voor additieven de toepasselijke veiligheidsbladen (MSDS/SDS) en laat
• beoordelen onder welke voorwaarden het product veilig kan worden toegepast.
• Controleer na aanpassing van de productie waar nodig de emissies en borg
• naleving van de vergunningsvoorwaarden.
• Benut het VGM-voordeel van lagere temperatuur: de richtlijn vermeldt dat
• productie bij maximaal 140 °C het energiegebruik en de CO₂-uitstoot tijdens
• productie met circa 10-20% vermindert.
• De richtlijn noemt als vuistregel uit EAPA dat circa 12 °C temperatuurverlaging
• een halvering van de asfaltdampen oplevert.
|
|
9. Veiligheid, gezond-
9. heid, milieu en
9. emissies |
• Inschatting risico’s |
• Beheersing van risico’s |
 |
• Additieven kunnen eigen HSE/VGM-aspecten hebben. Deze moeten
• productspecifiek worden beoordeeld en mogen niet zonder onderbouwing als
• schadelijk of onschadelijk worden verondersteld.
• Een lagere temperatuur verandert het afgasvolume en de verhouding tussen witte
• en paralleltrommel. Daardoor kan de concentratie van bepaalde stoffen in het
• gezamenlijke afgas veranderen.
• Een emissievergunning kan eisen stellen aan concentraties; de asfaltcentrale moet
• aan de toepasselijke grenswaarden blijven voldoen. |
• Gebruik voor additieven de toepasselijke veiligheidsbladen (MSDS/SDS) en laat
• beoordelen onder welke voorwaarden het product veilig kan worden toegepast.
• Controleer na aanpassing van de productie waar nodig de emissies en borg
• naleving van de vergunningsvoorwaarden.
• Benut het VGM-voordeel van lagere temperatuur: de richtlijn vermeldt dat
• productie bij maximaal 140 °C het energiegebruik en de CO₂-uitstoot tijdens
• productie met circa 10-20% vermindert.
• De richtlijn noemt als vuistregel uit EAPA dat circa 12 °C temperatuurverlaging
• een halvering van de asfaltdampen oplevert.
|
|
 |
 |
|
|
|
|